Naakt zijn en naakt poseren zijn twee verschillende gewaarwordingen. John berger benoemd in zijn boek ways of seeing het volgende  “To be naked, is to be without disguise. To be on display, is to have the surface of one’s own skin turned into a disguise. A disguise that can not be discarded.” [1]. Naakt zijn en een naakte zijn is een verschil, in mijn werk speel ik met deze twee principes.  Het naakt zijn betrekt het bewustzijn van de persoon in het naakte lichaam. Naakt poseren distilleert het naakte lichaam tot object. De blik van de ander vervreemdt de ik van zijn eigen authenticiteit. De voorwaarde zou dan zijn dat authenticiteit alleen plaatsvind in de privé sfeer. Mijn beelden bevinden zich tussen die privé sfeer en de het openbare poseren. Wanneer wij naaktbeelden zien in de openbare sfeer zijn deze vaak zo gewoon geworden in ons dagelijks leven dat we door de oppervlakkige beelden niet meer geraakt of gechoqueerd raken. Hierin staan idealisme van het naakt tegenover het realisme van het naakt. We worden pas gechoqueerd of opgewonden wanneer er een deel van dat bewustzijn van het lichaam getoond of onthult wordt. Pas als het naakt realistisch is roert het ons. Het naakte lichaam van Rembrandts Suzanna is in al haar imperfecties juist een bereikbare vrouw zij raakt ons door haar realistische uitstraling. Het idealisme van een onbereikbare gefotoshopte vrouw die op de voorkant van de Vogue staat en alleen bestaat als een computer bestand choqueerd ons niet meer. Wanneer de naaktheid ongeposeerd in het alledaagse leven opduikt, is het meteen dubbel zo naakt en dubbel zo choqerend. Niets is opwindender of choquerende dan kwetsbare openbaringen van de naakte huid. Wanneer een vrouw haar kind borstvoeding geeft ontstaat er meer ophef dan wanneer de borsten van een model groot op elk bushokje staan afgebeeld. Juist door mijn materialen kwetsbaar te houden, door middel van de fragiele randen kleurgebruik en het gebruik van textiel dat in zich zelf een huiselijk en vrouwelijk aspect in zich draagt, krijgt mijn werk een kalme benadering van het onderwerp en houdt het zijn kwetsbare aard. maar choqueer het weer door dat het in de openbare ruimte gepresenteerd wordt

De imperfecties van het naakt die het realistisch maken heb ik in mijn werk behouden. De huidziekte op stof en de rafeligheid van het siliconen materiaal laten een imperfectie zien die wij liever niet zien. Het abnormale wordt verbannen uit ons beeld en wij zouden onze imperfecties moeten verbergen. Met mijn werk toon ik de imperfecties als het normale, wij zijn allemaal kwetsbaar en niemand is gladgestreken perfect. Juist die imperfecties tonen wie wij zijn als subject en vertellen een verhaal. De naakte waarheid die terug komt in mijnwerk in een pure niet pronkende vorm bevraagd en geeft commentaar op het naakt wat wij normaal gesproken in de openbare ruimte tegenkomen.

Met mijn werk verhoudt ik mij tot kunstenaars die het lichaam als medium gebruikten in de kunst, het lichaam als canvas bij bijvoorbeeld performance kunst.  Met mijn werk geef ik mijn lichaam aan de kunst en  laat ik de actie of oordeel van de beschouwer deel uitmaken van het werk. Lucy Lippard merkte op dat mannen wel mooie vrouwen in onze maatschappij tot object kunnen maken maar zodra vrouwen dat zelf doen worden ze uitgemaakt voor narcisten.  Zij zei het volgende over vrouwelijke lichamen als medium in de kunst “When women use their bodies in their artwork, they are using their selves: a significant psychological factor converts their bodies or faces from object to subject.” Door het lichamelijk aanwezig te zijn bij hun eigen kunst hebben zij een stem, de vrouw neemt het heft in eigen hand door haar eigen lichaam als materiaal te gebruiken. Mijn thematiek is heel persoonlijk. Het voelt voor mij dan ook als natuurlijk om mijzelf als materiaal voor mijn werk te gebruiken. Ik kan mijzelf zo bewerken zonder bezwaren en inzetten zoals ik dat wil. Met mijn werk vertel ik mijn standpunt en mijn lichaam is mijn wapen.

Toch voel ik mij soms naakt en de naakte huid kan zich nergens achter verbergen. Zo voel ik mij soms als kunstenaar maar ook als jonge vrouw in sommige situaties als andermans blikken mij raken. De huid is een landgrens het toont onze gevoelens en emoties van binnen zodra wij blozen of littekens hebben. Maar het vangt ook de blikken en de oordelen die landen op die grens. The male Gaze zoals Laura Mulvey dat benoemd in haar essay neemt een perspectief aan die de vrouw bekijkt uit een mannelijk blik. Niet alleen de man is schuldig aan die mannelijk blik, ook de vrouw houdt dit in stand. Ik kan mijzelf nooit zien zoals anderen mij zien; toch probeer ik mij vanuit die man te kijken. De blik van de ander schrijft karaktereigenschappen en kenmerken aan mij toe die ik niet vanuit mijzelf kan bepalen. De blik van de ander ‘objectiveert’ mij; maakt van mij een ‘is’ en plaatst mij in een onveranderlijke context. Daarmee word ik tot ding gemaakt dat niet aan verandering onderhevig is. De blik van de ander die mij maakt tot ‘ding’ ontneemt mij mijn vrijheid. “een subtiel sterven van mijn mogelijkheden” Zou sartre zeggen.

 

Bovendien impliceert de blik van de ander een beoordeling, meer in het bijzonder eenwaardeoordeel. Wanneer ik bekeken word door de ander, lever ik me uit aan zijn vrije beoordeling van mijn zijn

Volgens Sartre blijft mijn bewustzijn principieel buiten het bereik van de ander, hij of zij kan zijn oordeel louter baseren op mijn veruitwendiging in de wereld, oftewel mijn lichaam. Plots is mijn lichaam dus niet enkel het bewijs dat ik besta, maar ook een en soi (een ding op zich zelf) waarop de ander zijn aandacht kan richten. Het wordt een instrument voor de ander.

 

Volgens Sartre zijn sadisme, haat en de onverschilligheid geen oplossing voor dit probleem. Ons zelf permanent verlossen van de blik, door de subjectiviteit van de ander toe te eigenen, te vernietigen of het te negeren zal uiteindelijk mislukken. Sartre benoemd dat de blik in dit geval mijn blik, als absolute gebeurtenis is. Mijn blik toont de kijker mijn subjectiviteit, die hij zich niet kan toe-eigenen. Wat de ander ook met mijn lichaam uitvoert, mijn bewustzijn blijft principieel buiten zijn bereik. Op die momenten waarop hij het niet verwacht, komt mijn subjectiviteit boven, die mijn objectiviteit en dus het project van de ander vernietigt en me zo redt van de objectivering. Door die objectiverende blik aan te kijken met mijn werk, dat draait om oogcontact en geplaats is op ooghoogte, bewapen ik mijzelf tegen de blik en maak ik die blik onschadelijk. Ik kijk terug.

 

 

[1] Berger, John. Ways of Seeing. London: British Broadcasting Corporation and Penguin Books. 1973